Menu

Contacteer ons
03 755 67 48

Een stukje kunstgeschiedenis met betrekking tot de meubelkunst.

Wanneer men als leek of beginnend geïnteresseerde antiekliefhebber opzoeking wil doen in verband met meubelstijlen, is het niet zo vanzelfsprekend om aan de juiste informatie te komen.  Verschillende benamingen voor op het eerste gezicht dezelfdestijlen en/of meubels, vaktermen, enz. bemoeilijken de opzoekingen.  Over de vroegere stijlen vindt men wel voldoende lectuur, maar het meer "hedendaagse"meubel, vanaf +/-1830,  ontbreekt in de meeste boeken en bibliotheken.  Terwijl dit net de meubelen zijn waar wij doorgaans in de handel mee geconfronteerd worden. 
Alles in één keer uitleggen is te veel hooi op de vork nemen, maar stap voor stap de verschillende aspecten en stijlen belichtten kan voor de leek zeer interessant  en leerrijk zijn.  Benevens de stijlkenmerken die typerend zijn voor een bepaalde periode of tijd heeft men immers ook nog de kenmerken per streek, dit dan nogmaals verdeeld over de bourgoisie en de "gewone" burger. 
 
Laat ons al beginnen met de houtkeuze :
 
Een misvatting die nogal vaak plaatsvind is dat grenen meubelen "nieuw" of "nietantiek" zijn.
Voor de 20ste eeuw, gebruikte men in iedere streek voornamelijk de houtsoorten die onmiddelijk voorhanden waren
Men beschikte immers niet over de nodige middelen om snel contact op te nemen of regelmatig grote transporten te organiseren.
Zo treft men in Frankrijk vooral kasten en ander meubilair aan in notelaar en eikaan, kerselaarkastanje en voor de Alpen en Pyreneën grenen.
In België werden meubelen vervaardigd uit eik, vuren (pitspine of den),populier en fruithout gebruikt, er groeiden immers vele verschillende boomsoorten hier.
In Duitsland werd voornamelijk gebruik gemaakt van grenen (den) en in de Scandinavische landen treft men regelmatig het Rood Noors Grenen aan, een hardere dennensoort.  In de koude streken was het dennenhout harder en fijner generfd doordat de groei vertraagd werd door de temperatuur.  Dit gaf een betere kwaliteit hout en de meubelen zijn dan ook zwaarder.
Doordat het vervoer van hout nog niet zo vanzelfsprekend als heden was, werdeningevoerde houtsoorten matig gebruikt, voornamelijk voor fineer en dan nog vooral voor de duurdere meubelen van de rijke burgerij.
Dennenhout werd vaak geschilderd, niet alleen werd het hout zo beschermd tegen invloeden van buitenaf, maar men trachtte een "rijker" aspect aan het hout te geven.
 
De "trensetters" in de meubelkunst :
 
Frankrijk was zeer lang het toonaangevende land (tot de laatste eeuwwisseling) wat betreft de meubelkunst.  Zo zal ieder land, op enkele uitzonderingen na, toch min of meer gevolg geven aan de mode die vanuit Frankrijk "gedirigeerd" werd. 
De meubelstijlen werden door de koningen bepaald en kregen dan ook een "koningsnaam" naast de stijlnaam. 
"Rococo" is bijvoorbeeld de stijlnaam voor de meer populaire benaming "Louis XV"-stijl
"Neo-Classisismeis dan weer beter gekend als "Louis XVI"-stijl.
"Louis XIIIen "Louis XIVdaarentegen kent men dan weer onder de naam "Barok".
En de "Henri IImeubelen die wij kennen (meestal in de Neo stijl uit de eind 19e - begin 20ste eeuw), is één van de "Renaissancestijlen. 
Later meer daarover.
Mits men de meubelen aandachtig bestudeerd zal men zekere stijlkenmerken toch herkennen ondanks de dikwijls eigen interpretatie die iedere streek en "menuisier" hieraan geeft.
Zo zijn de meubelen uit de 19e eeuw, meestal kubistisch van vorm, met vlakke panelen en sobere ornamentiek die soms zelfs volledig ontbreekt.
Vanaf de 20ste eeuw gaat ieder land door het wegvallen van de beperkingen van het transport en de toenemende communicatiemogelijkheden zijn eigen invloed laten gelden op de aanmaak van meubelen.
 
Gilden en beroepen en ambachten :
 
Tot eind van de 18e eeuw werden de verschillende verrichtingen aan een meubelstrikt uitgevoerd door een "eigen" handwerksman.  De gilden bepaalden wie welk werk mocht uitvoeren.
Zo mocht de "menuisier" enkel met massieve houtsoorten werken.  Hij maakte dus de rustieke meubelen en de karkassen die later zouden bewerkt worden door de "ébinisten".  
De "ébinisten" werkten niet met de massieve houtsoorten, maar schilden de fijne exotische en inlandse houtsoorten tot zeer fijne bladen, die zij dan in verschillende patronen uitsneden en op de massieve karkassen lijmden.  Soms zelfs opgehoogd met fijne ingelegde koper boordjes, schildpad, schelp of nacré, enz.  Deze meubelenwaren vooral bestemd voor de rijkere klassen zoals het koninklijk hof en de adel. 
De "quincaillerie" (dit is al het metalen beslag : scharnieren, sloten, sleutelbeslag) werd dan weer door een fijne smid gemaakt.
Zo hadt ieder vakman zijn taak tot het tot stand brengen van het meubel.
Men kan dus inderdaad van een antiek meubel zeggen dat het "vakwerk" is. 
 
Terug naar het nieuwsoverzicht
Back to Top