Menu

Contacteer ons
03 755 67 48

Op reis in het verleden, een interessante ontdekking.

Een hit in het nieuws : "vorig jaar (in 2012) kwamen wereldwijd en voor het eerst in de geschiedenis meer dan 1 miljard toeristen aan op hun eindbestemming" (cfr Humo). Natuurlijk vragen wij ons als antiekhandelaars en geschiedenis-nerds af, was er in het verleden ook al gelegenheid om vakantie te nemen, om op reis te gaan en hoe ging dat dan in zijn werk ? Wie kon en wilde er op reis gaan ? Ging men om te leren of om zich te ontspannen ? Een interessante reis terug in het verleden...

16e en 17e eeuw.

Reeds vanaf de 16e eeuw ondernamen jonge edellieden een "grand tour". Het was een heel exclusief gegeven, eenmalig en een soort ritueel. Door alleen op reis te gaan als jonge kerel tussen de 18 en 27 jaar, ondervond en bewees men dat men op eigen benen kon staan. De jongelui waren gemiddeld twee tot drie jaar onderweg, dus was deze "grand tour" meestal weggelegd voor de vrijgezellen. Een reis zoals deze kostte begin 18e eeuw ongeveer vier tot vijfduizend Brabantse guldes, peperduur dus, en enkel te consumeren door rijke koopmannen en mensen uit centraal en stedelijk bestuur in onze contreien, in Engeland voornamelijk de landadel.

Meestal werd via Brussel naar Parijs gereisd, beschikte men over meer geld dan kon men verder doortrekken naar Engeland. Parijs was het politieke en economische middelpunt van Europa en werd dus als hip en trendy beschouwd. De dandy's konden er allerlei bezienswaardigheden bezoeken, shoppen en kunst gaan bekijken. Maar ook de connecties met de plaatselijke beau monde werden uitgebouwd. Het was belangrijk over een zekere status te beschikken zodat men de nodige introductiebrieven kon voorleggen om in bepaalde kringen te worden voorgesteld. Wat men daar leerde, kon men thuis overbrengen. En men kon prat gaan op bezoeken en/of gesprekken met belangrijke adel en vorsten. Ook de kastelen langs de Loire die reeds antiek waren in die tijd en de academies waren belangrijke trekpleisters. Vaak werden de Romeinse overblijfselen in Zuid Frankrijk bezocht; steden als Nimes, Orange en Arles waren zeer in trek. In de 16e en 17e eeuw keerden de meeste reizigers terug naar huis via Lyon en een kort bezoek aan Noord Italië.

Het educatieve aspect was het belangrijkst, er mocht plezier gemaakt worden, men mocht de modesalons bezoeken en protserige kleding aanschaffen of deelnemen aan bals en banketten, maar men moest ook iets opsteken van de reis. Men verwachtte thuis dat je terugkwam met een academische graad van een prestigieuze universiteit uit Frankrijk of Italië. Eén of twee weken studie waarna men een examen aflegde, t.t.z. je moest je onderwerp voor een jury verdedigen waren meestal wel voldoende. Deze doctorstitel was veelal een mooie extra aanvulling op het diploma behaald in Leuven of Leiden. De jongelui die het klassieke Romeinse recht hadden gestudeerd in onze universiteiten, bezochten vaak parlementen en woonden belangrijke gemeenteraden bij tijdens hun grand tour.

Door op reis te gaan leerde men ook andere "manieren". Hoe gedraag je je bij een dame, hoe moet je bewegen, paardrijden, schermen, dansen, enz.... In de Loirestreek kon je je vervolmaken in dans en ruiterij. Raakte je aan een positie aan het hof, dan kon je je opgedane kennis toetsen aan de omgeving. De Franse en Italiaanse hofdansen bv waren totaal niet te vergelijken met onze boerse volksdansen. Ze bestonden uit ingewikkelde patronen met stappen en gebaren die minutieus dienden uitgevoerd te worden.

17e en 18e eeuw.

Grote steden als Rome, Venetië en Napels, kleinere steden als Bologna, Milaan en Turijn waren de uitverkoren vakantieplaatsen in de 18e eeuw. Vanaf deze tijd zie je in nalatenschappen soms ook kwitanties opduiken van toegangsgelden voor sommige favoriete plaatsen. De grand tours werden kunst en cultuurreizen. Men leerde belangrijke schilders en beeldhouwers kennen, discuteerde in de salons met dichters en geleerden. Nog een eigenaardigheid in de laat 18e eeuw is de interesse in de achterbuurten van grote steden. Vooral de reizende geleerden deden deze plaatsen aan. Men ging verkrotte achterkamertjes bezoeken en ging dan op zoek naar oorzaken en oplossingen. Verbeteringsgestichten waren een populaire attractie : het krankzinnigenhuis Bedlam wou iedereen gezien hebben, evenals het Rasphuis in Amsterdam (verblijfplaats of gevangenis voor bedelaars en kleine criminelen).

Vanwege haar rijke koloniën was Groot Brittannië één van de rijkste landen ter wereld met een zeer rijke bovenklasse. Deze welgestelde jongeren reisden tussen hun opleiding en carrière rond door Europa om bij te leren over de tradities, kunst en architectuur op het vasteland. Er was wel wat verzet tegen deze Grand tours op het vasteland omdat de jongeren met hun trip de economie van rivaliserende landen zoals het Roomse Rijk en Frankrijk spekten. In deze periode verbleven de reizigers vaak in de woningen van de Britse ambassadeurs, de herbergen waren niet erg hygiënisch en men kreeg beter eten en een mooier verblijf bij deze afgevaardigden. Ook het gezelschap was van "dezelfde stand" en dus aangenamer. Deze Engelse jongeren droegen geen contant geld met zich mee, ze kregen kredietbrieven van hun bank. Deze maatregel voorkwam dat ze bestolen zouden worden door struikrovers. Door de Franse revolutie in 1789 kwam er een voorlopig einde aan de Grand Tours van de Engelse jongeren op het Europese vasteland.

Uiteraard boekte men zijn reis niet bij een reisagentschap. Zeldzaam waren de reisgidsen die je beschreven wat je moest zien en welke kennis je je moest eigen maken. Men kon wel lokale reisgidsen inhuren die je wegwijs maakten in de streek waar je vertoefde. Het was vooral in de 17e eeuw echter heel populair om je eigen private gouverneur mee te nemen op reis. Een oudere professor of onderwijzer die reeds reiservaring had, kennis had van vreemde talen en die tevens als een soort chaperonne fungeerde. In de loop van de 18e eeuw werden commerciële uitgiften gedaan van reisgidsen, die vaak acht tot negen herdrukken kenden. Herbergen en hotels in populaire oorden specialiseerden zich in toerisme.

Ook toen reeds klitten nationaliteiten samen in cafés of verblijfplaatsen, in Hotel Bristol in Parijs kwam je voornamelijk Engelsen tegen.... Strandtoerisme kende men nog niet. Wel gingen minder begoede zakenlui al eens een maand naar Parijs of London, een citytrip avant la lettre. Eind 18e eeuw maakte men een cruise op de Rijn of de Maas, de natuur met bossen, rotspartijen en watervallen werden uitgebreid bewonderd. De watervallen van Coo waren voor deze mensen een favoriete bestemming.

De reizigers huurden soms een herbergkamer, of indien meer begoed, een meerkamerappartement. De Engelse edellieden reisden immers meestal met grote gezelschappen : tien tot twintig bedienden, koetsiers, secretarissen, wasvrouwen, enz.... In de Nederlanden werd met kleinere reisgezelschappen rondgetrokken. Nederlanders en Vlamingen huurden meestal ter plekke personeel in. Blijkbaar reisden in onze contreien vooral de stedelijke elite, niet de aristocratische lieden, daarom ook dat een grand tour bij ons in de Nederlanden nogal een vulgaire reputatie bezat in die tijden.

Alleen tussen Parijs en Brussel waren er vaste lijndiensten met koetsen in de 17e eeuw, dus kocht men meestal een paard aan. Eens Parijs voorbij galoppeerden de reizigers van stad naar stad. Pas in de achttiende eeuw werden diensten per diligence ingelegd tussen de grote steden die personen en post ter plekke brachten.

18e en 19e eeuw.

In het begin van de 19e eeuw ging men heel primitief klimmen op bergen en gletsjers, een avontuurlijke en korte vakantie voor een aantal lagere elites zoals advocaten, dokters en notarissen die het konden betalen. Transport wordt goedkoper, men legt steenwegen aan en trekschuiten worden gebruikt voor reizen via het water. Ook in Nederland maakt men korte, binnenlandse plezierreisjes, bv naar Katwijk aan zee. Men maakte vooral strandwandelingen, zonnen en zwemmen waren nog "not done". Het kusttoerisme begint zich in de 19e eeuw ontwikkelen. Korte reisjes kunnen nu ook ondernomen worden door de avontuurlijker dames. Vijftigers en zestigers gaan eveneens reizen. De druk om te studeren tijdens de reis verdwijnt, de nadruk ligt nu op amusement en vermaak. Reizen wordt seizoensgebonden, tussen juni en september nemen de meeste mensen die het zich kunnen permitteren vakantie.

In Oostende worden de eerste hotels door de Engelsen gebouwd. Onze kust was voor hen gemakkelijk bereikbaar en exotisch. Leopold I was verknocht aan Oostende, het herinnerde hem aan zijn eerste Engelse echtgenote. Hij liet een spoorlijn Brussel Oostende aanleggen in 1835. Maar het is Leopold II die omstreeks 1860 Oostende een grandeur gaf door majesteuze gebouwen op te trekken. Er ontstaan kuuroorden aan zee, een hele lijst ziektes kan genezen worden (sic). Kursalen (Kur en Saal) worden opgetrokken.

Voor de ambachtslui zijn er de korte reisjes van drie, vier dagen met de trekschuit naar de stad om zich te amuseren op de kermis. Een lange periode, vooral tijdens het Ancien Regime, konden de gewone werkmensen zich géén meerdaagse reis veroorloven. Maar door de verbeterde werkomstandigheden naar het eind van de 19e eeuw kunnen ook fabrieksarbeiders, lage ambtenaren en kleine winkelbedienden zich een reisje naar de Belgische kust veroorloven. De overheid gelast de spoorwegen die ondertussen ook actief zijn, om goedkope pleziertreinen in te leggen. Tegen een schappelijk tarief reden ze zondags naar de kust. In Oostende "reklameren" de burgerij dat hun stad wordt overspoeld door dagjesmensen. Deze rijken trekken weg naar Den Haan en Knokke Zoute, de tendens van vandaag is gezet...

 
Terug naar het nieuwsoverzicht
Back to Top